Naar de inhoud
Imkerplein

Dit is les 4 van de 6. De lessen bouwen op elkaar voort, dus je haalt er het meeste uit als je bij het begin start.

Naar les 1: Wat een volk binnenhaalt

Les 4 · Dracht, voeding en voorraad

Het drachtverloop en het drachtgat

3 min lezen

Grafiek van het drachtaanbod door het jaar met een piek in het voorjaar, een inzinking rond juni en een tweede piek in de zomer
Wat er te halen valt, is niet gelijk verdeeld

Je volk groeit in mei als een trein en staat er half juni ineens mager bij, zonder dat er iets veranderd is aan het weer. Hoe kan dat?

Je hebt waarschijnlijk het drachtgat te pakken, en dat is de vervelendste periode van het bijenjaar.

Het aanbod buiten is niet gelijkmatig. In het voorjaar bloeien wilg, fruit en paardenbloem, en dat valt samen met een volk dat hard groeit. Daarna, ergens tussen de voorjaarsbloei en de zomerbloei, valt er een gat: het fruit is uitgebloeid, de linde en de klaver zijn er nog niet. In veel streken valt dat ergens rond half juni, maar er staat geen datum voor: hoe het drachtverloop bij jou loopt, hangt af van je streek, het weer, wat er in de buurt groeit en het jaar zelf.

Dat gat komt op het slechtste moment. Het volk is dan op zijn grootst, met de meeste monden om te voeden, precies wanneer er even niets binnenkomt. Een volk kan dan in enkele dagen zijn hele voorraad opeten. In een slecht jaar sterven volken in juni van honger, met de zon buiten.

Hoe groot dat gat is, verschilt per plek. Waar veel linde staat of veel bermbloei is, merk je er weinig van. In een streek met alleen gras en mais kan het weken duren. Dat is de reden dat een drachtkalender altijd regionaal is, en dat de ervaring van je buurimker meer waard is dan een algemeen schema.

Zo redeneert een ervaren imker half juni:

  1. 1.

    Dit zie ik: een groot volk, weinig vliegverkeer, en de kast voelt lichter dan twee weken terug.

  2. 2.

    Dit zegt mij: er komt niets meer binnen terwijl er veel opgaat.

  3. 3.

    Dit weet ik nog niet: hoe lang dit nog duurt, want dat hangt af van wat er nog moet bloeien.

  4. 4.

    Daarom controleer ik: het gewicht door te tillen, en of er nog verzegelde voorraad in de zit.

  5. 5.

    Op basis daarvan besluit ik: bijvoeren als er minder dan een paar kilo in zit, ook al is het zomer.

Dat laatste voelt verkeerd, want voeren hoort bij het najaar. Maar een volk dat in juni honger lijdt, is in augustus niet sterk genoeg om te maken. Hoe je vaststelt of het werkelijk zo weinig is, gaat de volgende les over. Dat is namelijk lastiger dan het klinkt.

Even controleren of je het begrijpt

Waarom is het drachtgat gevaarlijker dan een schrale periode in het najaar?

Maak een gratis account om deze les als afgerond te markeren.