Dit is les 6 van de 7. De lessen bouwen op elkaar voort, dus je haalt er het meeste uit als je bij het begin start.
Naar les 1: Koningin, werkster en darLes 6 · De honingbij en het bijenvolk
Voedseluitwisseling en temperatuurhuishouding
3 min lezen

Het is min vijf graden buiten. Je weet dat er al weken geen enkele bij de kast uit is geweest, en toch blijft het binnenin op ongeveer vijfendertig graden. Hoe houdt een groep insecten, zonder centrale verwarming, een vaste temperatuur vast terwijl het buiten vriest?
Een bijenvolk regelt zijn temperatuur als één systeem, niet als duizenden losse individuen. Rond broed houden werksters de temperatuur strak rond de vijfendertig graden, in de praktijk tussen de vierendertig en zesendertig, door met hun vliegspieren te trillen zonder de vleugels te bewegen. Dat kost voer, veel voer, en is precies waarom een volk in de winter meer verbruikt zodra er weer broed is. Bij hitte doen bijen het tegenovergestelde: ze halen water naar binnen, smeren dat uit over de en waaieren er met hun vleugels lucht overheen, zodat het verdampt en de kast koelt, ongeveer zoals zweten. Wordt het toch te heet, dan verzamelen bijen zich soms in trossen buiten de kast, tegen de wand, om plek vrij te maken binnen.

Voedsel wordt op dezelfde collectieve manier verdeeld: via , het mond-op-mond doorgeven van voer tussen bijen. Een die met terugkomt, geeft die vaak al bij het door aan een , die het weer verder verdeelt. Dat is niet alleen voedseltransport: in dezelfde beweging geven bijen ook chemische signalen door over de kwaliteit en herkomst van wat ze binnenbrengen. Daardoor bereikt informatie over voedselkwaliteit en -hoeveelheid het hele volk razendsnel, zonder dat elke bij zelf naar buiten hoeft om te controleren of de nog goed is.
Zo redeneert een ervaren imker op een snikhete dag in juli:
- 1.
Dit zie ik: een dikke bijen die aan de buitenkant van de kast onder de vliegplank hangt, en binnen een hoorbaar geruis.
- 2.
Dit zegt mij: het volk is aan het koelen, en heeft binnen ruimte gemaakt door een deel naar buiten te sturen.
- 3.
Dit weet ik nog niet: of dit alleen de hitte is, of dat het volk het binnen ook te krap heeft.
- 4.
Daarom controleer ik: of er water in de buurt is, of de kast in de volle zon staat, en of er binnen nog ruimte vrij is.
- 5.
Op basis daarvan besluit ik: eerst schaduw en water regelen, en pas daarna kijken of er werkelijk ruimte bij moet.
Een volk dat buiten hangt is dus niet in nood, het is aan het werk. Bijen die binnen onrustig door elkaar lopen terwijl het helemaal niet warm is, zijn een ander verhaal.
Even controleren of je het begrijpt
Twee volken van gelijke sterkte, dezelfde kast, dezelfde winter. In maart verbruikt het ene bijna twee keer zoveel als in december. Waar komt dat verschil vandaan?
Maak een gratis account om deze les als afgerond te markeren.
